Global Voices: De wereld spreekt. Luister je?

09-02-2009

Vispasta


De dag dat mij het verhaal achter de vispasta werd verteld was op een doodgewone zaterdagavond. Niets bijzonders. Ik was uitgenodigd bij een Birmese familie waar ik regelmatig over de vloer kom. In het weekend kookt de familie altijd voor een heel weeshuis, toch zijn ze maar met zijn vijven: twee zussen, een broer, de man van de ene zus, de dochter van de andere zus. De ouders wonen in een vluchtelingenkamp, de derde zus in Birma en de man van de zus met de dochter is een paar jaar geleden naar Finland geïmmigreerd. Een gebroken familie zoals vele Birmese families. Niemand die daar raar van opkijkt. En misschien wel doordat de familie gedwongen uit elkaar ligt en doordat alle familieleden daar onder lijden -dit zullen ze nooit tegen een buitenstaander zeggen-, is iedereen altijd welkom in de familie.

Het was een uur of zeven ’s avonds toen ik aankwam. Hoewel het klam en vochtig was zat iedereen binnen. De vrouwen zaten in de woonkamer voor de televisie. Ze kamden elkaars haren, terwijl ze praatten en giechelden. Het avondeten hadden ze al achter de kiezen. De mannen zaten in de keuken. Met zijn achten deelden ze een plasticmat die op de keukenvloer was gelegd en waarop een lage tafel stond vol met schaaltjes en bordjes. De rijstkoker stoomde volle toeren, het bier ging de rondte en de eucalyptussigaretten verspreiden een zoete lucht in de kleine ruimte. Ik had dorst en kreeg een bier aangereikt. Ik twijfelde, voelde me ongemakkelijk, maar de mannen keken me vol verwachting en vertrouwen aan. Mijn dorst nam de overhand en dus nam ik plaats op de mat. Tevreden praatten de mannen verder. Ik begreep niet veel van hun gesprek, ze spraken Birmees. De man die naast me zat had dat al gauw in de gaten en vertaalde af en toe een passage in het Engels.

De mannen hadden het over politiek. Waar zou ook anders zo heftig over worden gediscuteerd op een dergelijk uur van de dag en in een dergelijke situatie?Acht geleerde, Birmese mannen, allemaal geëngageerd. Dat ze in Mae Sot wonen betekent niet dat ze zich bij hun lot hebben neergelegd. Integendeel, Mae Sot is dè plek voor politieke partijen en genootschappen om zich te organiseren. Voordat ik er erg in had bevond ik mezelf in een “ondergrondse bijeenkomst”. Gelukkig werd niet alles vertaald en waarschijnlijk had dit ook zijn redenen. Mae Sot barst van de spionnen, de SPDC (Birmese leger) weet zelf ook als geen ander dat verzetsplannen vooral in deze grensstad worden gesmeden.

Terwijl ik rustig mijn bier opdronk en deed alsof een dergelijke bijeenkomst heel normaal voor mij was, had ik het idee in het boek De ontzichtbaren van Karel Glastra van Loon belandt te zijn. De rijst was gaar en werdt op de bordjes geschept; De schaaltjes met curry’s, gekookte groenten, garnalen en verse kruiden gingen de rondte. Ik vroeg naar de vispasta. Het gesprek viel stil. Een Europeaan die Birmese vispasta lust? Iedereen begon te lachen. Had ik iets verkeerd gezegd?

En toen vertelde Muchio mij zijn verhaal van de vispasta. Na de “8888 uprising” of, revolutie voor democratie die op 08.08.1988 begon, werd het leven in Birma steeds moeilijker. Het militaire regime trad streeds strenger op. Studenten en andere manifestanten die aan de revolutie hadden meegedaan werden massaal opgepakt en in de gevangenis opgesloten. Als advocaat werd het hem onmogelijk gemaakt zijn beroep eerlijk uit te voeren. Ook liep hij steeds meer gevaar toen ontdekt was dat hij één van studenten was geweest die de revolutie hadden voorbereid. In 1990 werden er verkiezingen uitgeschreven en hoewel de National League for Democracy (NLD – de partij van Aung San Suu Kyi) deze won, trapte het leger de democratie de afgrond in. Met een stel vrienden besloot Muchio het land te ontvluchten. Vanuit Rangoon vertrokken ze te voet richting het oosten van het land. De tocht was zeer bar, er was bijna niets te eten en te drinken onderweg. De mannen hadden krachtvoer nodig en het enige beschikbare voedsel waar wat proteïne in zat was vispasta.


Vispasta komt oorspronkelijk uit Thailand. Het wordt gemaakt van verrotte, goedkope vis(resten). Deze drap wordt in grote plastic teilen op de markt verkocht. De pasta stinkt een uur in de wind en als je niet weet wat het is vraag je je af wat die verrotting te zoeken heeft tussen de etenswaren. Vispasta is voedsel voor de armen omdat het bijna niets kost, gemakkelijk te verkrijgen is (in een waterrijkgebied) en behoorlijk voedzaam is. De visdrap die je op iedere Birmese markt kunt vinden moet eerst voorbereid worden voordat je het kunt eten. Je moet het opwarmen en water, hete peper en ui (en knoflook) door de drap roeren. De vloeibare pasta die ontstaat is ont-zet-tend pittig! Het wordt opgediend in een schaaltje dat iedere Birmees ter hand neemt om de inhoud te mengen met de witte rijst. De rijst met vispasta wordt vaak gegeten in combinatie met gekookte groente.

Dankzij de vispasta die ze in de dorpjes waar ze doorheen reisden voorgeschoteld kregen hadden de mannen voldoende energie om veilig op de plek van bestemming aan te komen. Sindsdien is het voor Muchio ondenkbaar geworden een maaltijd zonder vispasta te nuttigen. Het is een symbool van overleving: zo voedzaam als hun daadkracht, zo pittig als hun overlevingsdrang.


02-02-2009

Restless Souls

Het grensgebied tussen Burma en Thailand is, zoals vele grensgebieden, een nogal onrustige omgeving. Mae Sot, dat middenin dit grensgebied ligt, is een stad die moeilijk te beschrijven is. Illegale, gevluchte Birmezen; drugs-, edelstenen-, en mensensmokkelaars; spionnen; corrupte politieagenten en officieren; zwerfhonden; journalisten; toeristen en hulpverleners. Een samensmelting van mensen, zielen en weerzinwekkende verhalen. Het is moeilijk een weerspiegeling te geven van de sfeer, de geuren en de (sombere) kleuren die deze stad tekenen.

In het boek “Restless Souls” beschrijft Phil Thornton de Birmezen (met name de Karens) die in dit grensgebied (over)leven. Het boek is een verslag dat je leest als een reis door dit gebied.

In de vijf jaar die Phil Thornton in Mae Sot doorbracht probeerde hij erachter te komen in hoeverre de denkbeelden van de verschillende NGO’s en autoriteiten terecht zijn of niet, in hoeverre de verhalen die zich de ronde doen gebaseerd zijn op waarheid of op speculaties.

“You Shall no longer take things at second or third hand… nor look through eyes of the dead… nor feed… on the spectre in the books… You shall not look through my eyes either, nor take things from me… You shall listen to all sides and filter them for yourself…” (Thornton, 2006)





Maar hoe kom je erachter wat hier werkelijk aan de gang is, wat de mensen hier doormaken, wat de vluchtelingen drijft hier te komen en te leven?

“Plenty of people are willing to talk but not if what they say is to be sourced and quoted.”
(Thornton, 2006)

Nadat ik vier maanden in Mae Sot heb gewoond en gewerkt lees ik het boek in één adem, maar met een verschrikkelijke kramp in mijn buik, uit. Deze schrijver verdient een hoop respect! De verhalen zijn zeer sprekend en realistisch. De 19 hoofdstukken nemen de lezer mee naar het bonkende hart van Mae Sot, de Moei rivier en de jungle net over de grens in Burma.





In één van de hoofdstukken kaart hij de problematiek van de vluchtelingenkampen aan die vaak beschouwd worden als plekken waar de KNU (Karen National Union) haar gewapende strijd organiseert. Een problematiek waar ik ook mee te maken kreeg tijdens mijn deken-actie in het vluchtelingenkamp NuPo. Zoals velen vroeg ik me af in hoeverre je de mensen in het kamp kunt en moet helpen als de hulp vaak gebruikt wordt voor politieke doeleinden.

“It is ironic that both the Burma’s military as international NGO’s accuse the KNU of using the camps to organize their resistance. One Burmse officer, Major General Kyaw, actually whinged in the Bangkok Post that the camps were KNLA (Karen National Liberation Army) strongholds. These so-called refugee camps are in fact bases from wich the KNU plan their attacks inside Myanmar (Burma).”

“International aid agencies make similar claims. They accuse the KNU of using the camp food to feed their soldiers, Karen medics of taking medicines to go on active duty with the KNLA, and Karen soldiers of using the camps to recuperate in while away from the front. Some NGO’s even accuse the KNU of keeping refugees imprisoned in the camps to ensure the food supply is maintained. What they forget is that the Karen people don’t have choices. They are at war, whether they want to be or not.”
(Thornton, 2006)

Een duidelijk antwoord krijg ik niet, maar wat Thornton wel verklaart is dat de strijd van de Karens een vergeten strijd is. Precies zestig jaar geleden verklaarde de KNU de oorlog aan Birma. Een oorlog die één van de langste uit de geschiedenis is, maar ook één van de meest vergeten oorlogen. Hoeveel mensen in Europa weten wie de Karens zijn, waar ze wonen, waar ze voor vechten? Terwijl het Birmese leger goed is uitgerust dankzij de hulp van buurlanden zoals China en Thailand vechten de Karens op “blote voeten”. Geen enkele oorlog is goed te praten, maar het is opmerkelijk dat de strijd van de Karens door velen als zwart wordt beschreven terwijl niemand de moeite neemt erachter te komen waar deze strijd vandaan komt en waarop hij gebaseerd is.


01-02-2009

Slower is even more beautiful!

Nadat we van Mae Sot naar Chaing Khong waren gereisd via Mae Sariang, Mae Hong Son en Pai, namen we de pont om de Mekong over te steken en voet aan wal te zetten van Laos.





Wat een verschil met Thailand!

De grensstad Huay Xai waar we onze eerste nacht doorbrachten stond ons allebei niet aan. De mensen waren niet zo vriendelijk als in Thailand, we begrepen niets van de nationale munteenheid. We voelden ons allereerst super rijk met al die flappen in onze portemonnee. Maar helaas vlogen de biljetten er razendsnel uit. Een maaltijd kost op zijn minst 10 000 Kip, maar hoeveel Baht of Euro was dat dan precies? Alles was in ieder geval duurder dan in Thailand en mensen probeerden ons af te zetten alsof we allebei Blond waren.

We wilden zo snel mogelijk weg uit de stad, maar de hygiëne was ook niet top: Anne liep een voedselvergiftiging op (door een ei???). Terwijl Anne op bed lag keek ik met heimwee naar de overkant van de Mekong…





De volgende dag nam een gids ons in zijn auto mee naar Luang Nam Tha, een stad ten noorden van Huay Xai. Route N° 3 is een gloednieuwe weg (een Chinees-Thais project…) die al kronkelende door prachtige landschappen (bossen, rivieren, opgedroogde rijstvelden) en langs verschillende hill tribes leidt. Bij vier van die dorpjes stopten we om een kijkje te nemen.

Heel bijzonder:

Lataen





Khamu





Zuid Lamed





Noord Lamed





In Luang Nam Tha was het koud! We dachten eraan een rechtsomkeer te maken naar een warm Thais eiland, maar tegelijkertijd wilden we onze rondreis afmaken. Om ons op te warmen besloten we fietsen te huren en een tocht te maken door rijstvelden, langs hill tribes en over rivieren.





De volgende dag wilden we naar Muang Sing, aan de grens met China reizen, maar toen was Blond ziek… Het viel ons niet mee. We durfden niets meer te eten (een voordeel is dat we wat pondjes zijn afgevallen :-) en dronken uit voorzorg alleen nog maar cola.

In Muang Sing was het prachtig, een stadje midden tussen de hill tribes. We besloten drie nachten te blijven. Daarna gingen we weer terug naar Luang Nam Tha om een boat trip van twee dagen te doen. Heerlijk chillen en kijken naar het leven rond de rivier de Nam Tha.













Tien dagen in Noord Laos gingen al met al snel voorbij, ondanks de kou, het niet-zo-heel-erg-lekkere-eten en de mensen die nogal schuw waren en absoluut geen Engels konden hebben we een bijzondere tijd gehad. Laos kun je niet op dezelfde manier bereizen als Thailand. Voor Laos moet je echt de tijd nemen en je losmaken van al je Westerse gewoontes. Pai, de Thaise hippiestad waar we een massage cursus deden, was misschien de stad van slow is beautiful. Laos is het land van slower is even more beautiful!